Rabbit Hole Day

Vandaag is het Rabbit Hole Day. En ook poeziedag in België. Dit is wel geen echte poezie, maar toch kom, het is tijd voor een verhaaltje. Het is trouwens alweer een tijdje geleden.

blog.changeStyle(WriterConstants.LEWIS_CARROLL);

Flipping open the cover of his new laptop, the guy at IT moved in to the meeting room. Afraid of what he might find, he started his mainframe session and logged on. “Damn” he said aloud, this can’t be happening to me. While he was checking the logs, his telephone rang. It was the guy from the DC again.

“Hello!”, he answered quickly, suspecting that this would not be a friendly call.

“Yeah, it’s me again. Your job is taking all the resources man, I have to kill it right now or the whole damn machine is going down soon.”

“Noooo!”, the guy at IT yelled. “You do that and I’ll f*ck*** kill you!” Knowing that when the operator would do this, the whole operation would be in danger. He just hoped that it could end smoothly, before the machine went down. Little did he know, that somewhere on the other side of the globe somebody was making sure that things would not happen the way he had hoped for.

Far away in Tokyo, some IT nerd had plugged into the grid. Normally this kind of privilege was only meant for higher class IT officers or “window people” as the lower class used to call them. But Haruka had always been a rebel. She ignored the rules, she was tired of waiting to upload her code when traffic on the grid was low. She plugged in whenever she wanted to, where she wanted to, for as long as she wanted to. This time it was in the main lobby of a low class hotel in the middle of Tokyo. Most of the window people were doing their power-naps, so the grid-connection was reasonably fast during this time of the day. As soon as she was plugged in, she logged in to the mainframe of Straight Banana MegaCorp., the only software company left on the main land of Europe. Being on the other side of the globe, this meant passing though the Great Firewall of China, which controlled every connection to The West. Well, nearly every connection, there was one proxy they hadn’t found out about yet. It must have been the only working Atari ST left in the world, and it was hooked to the grid! A left over from a previous job she had done, somewhere in the heart of Hangzhou. Getting in to SB-MegaCorp‘s mainframe was a piece of cake, they were running a 1988 version of the OS she had helped writing. It was full of security leaks. “This is 2066 guys, you must be joking”, she whispered to herself. Spotting the batch-job in the huge job-queue took most of her time, as she didn’t know the name of the IT guy that had submitted it. It was the huge CPU-usage that gave it away. “This must be the one”, she thought, while she was looking at the stream of vulnerable company data being transferred onto her laptop.

The day was over, his batch-job wasn’t… He ordered another beer at Straight Banana‘s canteen, somehow sensing that he would need it. Before he could sip the first sip, he saw a line in the logs that hit him like a baseball bat in the hands of a very experienced baseball batter. Haruka had made a mistake, the worst mistake a hacker can make. Her intrusion into the SB-MegaCorp‘s mainframe had been detected. Immediately he started looking for other traces of her presence. By the time he knew what she was doing, it was too late. He was just about to shut down her Atari ST proxy as the batch-job he had submitted nine and a half hours ago ended with no errors. The next second Haruka was off-line, there was nothing he could do any longer. Never in his life had he felt more miserable than now. Not only had he just performed the most expensive batch-job in the history of SB-MegaCorp, an act that most certainly would require some serious explanation to his superiors, but also had some top-class Japanese hacker stolen all data of the new AI-Databank System they were about to launch next month.

He could already see the scenario unfold. The data would fall into the hands of Hangzhou’s ICT-maffia, Straight Banana would cease to exist within a month and he would be to blame. This would mean the end of all IT activities in Europe, and the start of a new time. A time everybody in Europe feared. It had happened before to North America, South America, Africa and Australia, now Europe was on the verge of it’s very own Dystopian Era.

(to be continued… maybe… who knows)
Voor diegenen die nu even hun wenkbrouwen fronsen, geen nood, ik ben niet gekker geworden dan anders. Het is Rabbit Hole Day…

Rabbit Hole Day

Opgepast: opmerkzame geesten zullen een drastische blog-stijlverandering ervaren. Dit heeft wel degelijk zin vandaag, zie onderaan…

The lawnmower

Het was een regenachtige dag in een land waar dit nochtans onwaarschijnlijk lijkt: België. De met de geur van elektronica gevulde lucht hing vol gele wolken doordat de altijd zo zoet geurende verbrandingsoven net zijn kleppen had opengezet. Kortom, het was een prachtige dag voor buitenactiviteiten. Gelukkig regende het redelijk hard, zodat de temperatuur draaglijk was. Door globale opwarming van de aarde was het vrijwel onmogelijk geworden om zonder air-suit buiten te komen, behalve in de regen.

Bomen snoeien hoefde al jaren niet meer, daar zorgden de laatste nieuwe automatische robots van Ivago wel voor. Een model gebaseerd op de eeuwenoude organische versies, iedereen kent ze wel, die mannen in het oranje pak. Nu, zoveel jaar later, zijn die vervangen door de Type III robots van het Volvo-Daewoo concern, dat destijds wereldberoemd geworden was door de uitvinding van de genetisch gemanipuleerde bio-chip, die in 2080 de mensheid door elkaar had geschud. Daarmee werd het nu mogelijk om voorheen voor robots té complex lijkende taken te vervullen en leek het alsof de mens op termijn overbodig zou worden.

Geen bomen snoeien dus, maar het was al 6 maanden geleden dat we nog een gras hadden gemaaid, dus werd het hoog tijd om eens de zeis boven te halen en op goede 20e eeuwse wijze te genieten van plattelandswerk. We moesten wel, want door de Nieuwe Wet van 2125 was het streng verboden twee-takt motoren te gebruiken, dus geen ouderwetse grasmaaiers meer. Ook elektrische versies waren zo goed als onbruikbaar, want elektriciteit opwekken was (sinds de poging van de Asia-Amerikaanse regering om de globale opwarming tegen te gaan door een zonnescherm op te werpen) niet meer mogelijk door middel van photo-voltaïsche cellen en de regulering van nucleaire stoffen was zo streng geworden dat een uurwerk met oplichtende wijzers zelfs al illegaal was, laat staan een kerncentrale. We hadden het gras nodig, want onze voorraad bio-ethanol zat er bijna door en het zou nog even duren eer het gemaaide gras in een nieuwe lading zou zijn omgezet. Geen gras, geen auto, zo simpel was het. Dus… back on manual.

Na enige uren te hebben gezwoegd met zeis en manuale duw-maaier, hadden we net genoeg gras bijeen om het toevoer-vat van de EthaPlus, het semi-automatische ethanol apparaat, te vullen. Gelukkig maar, want het was intussen gestopt met regenen en al gauw zouden we door uitputting van de warmte moeten stoppen met maaien. Tevreden van een paar uurtjes werken in aangenamen buitentemperaturen trokken we ons snel terug in de veilige atmosfeer van onze woonvertrekken, die door middel van grote ronde buizen van frisse lucht werden voorzien. Eens ontdaan van onze werkkleren draaide ik het knopje van de EthaPlus op ‘GO’ en ging ik snel terug liggen op de sofa. Net op tijd plugde ik in, zodat ik door middel van mijn lichaam ook grotere en nuttigere robots van energie kon voorzien…

Waarom in godsnaam deze onzin? Het is Rabit Hole Day, en de verjaardag van Lewis Carrol.

…January 27th is the birthday of Lewis Carrol, author of ALICE’S ADVENTURES IN WONDERLAND. Alice fell down a rabbit hole into a place where everything had changed and none of the rules could be counted on to apply anymore. I say, let’s do the same…

(source)

The Van

Tijd voor een cursiefje, of een kort verhaaltje, of een flard uit mijn jeugd. Another Gordon Sweep, ‘t was lang geleden…

Vroeger, toen ik klein was, gingen we elk jaar op reis naar Schotland. We logeerden daar bij een tante van mijn pa, tante Clara heette ze. Talloze zomers heb ik er doorgebracht, telkens een paar weken, in een klein dorp aan de rand van Loch Earn. Nu blijft er van het oude Lochearnhead, want zo heette het dorp, niet veel meer over, enkel wat vage herinneringen aan de tijd toen de tijd er nog stilstond. Het huis van tante Clara staat er nog, de grote tuin waarvan ik nooit goed heb geweten tot waar hij nu juist kwam, is jammer genoeg opgesplitst en verkocht. Het was in die tuin dat ik als kleine jongen uren heb rondgedoold, springend over grachten, kruipend en liggend in het gras, kijkend naar de natuur met op de achtergrond het gezoem van de Flymo grasmachine waarmee nonkel Jimmy op bijzonder ingenieuze manier het gras op de schuine kant voor het huis wegmaaide.

“1902″ stond er in sierlijke letters boven de voordeur gehouwen, het jaar toen dit huis met metersdikke muren werd gebouwd. De AGA in de keuken ging nooit uit want tante Clara, die vroeger nog een hotel in Brussel had gerund, stond bijna altijd in de keuken en toen het eten klaar was, schreeuwde ze in haar onvervalste Cocktail-language “Allez, come on, we goan essen” door de tuin. Enkel tante Clara slaagde er in om 4 talen in één zin te gebruiken, een overblijfsel van de bezetting in Brussel. Ik hoorde de schreeuw meestal maar half, want ofwel was ik honderd meter verder aan het spelen, ofwel zat ik achter het stuur van een oude bestelwagen die ergens troosteloos in een hoekje van de oprit stond, gedegradeerd tot houtopslagplaats, met platte banden en afbladerende verf, één ruitje van de achterdeuren gebarsten. In roestende letters stond er “BEDFORD” op The Van, want zo werd dit stuk oud ijzer door de hele familie genoemd.

De geur in The Van was die van verstorven rubber, gebarsten bakkeliet en door de zon verschenen oud leder. Trots ging ik toen op de bestofte voorbank zitten die jarenlang was verwaarloosd en genegeerd, om brommende en kuchende geluiden na te bootsen van een startende en optrekkende auto. De geuren van de degenererende auto moet ik toen in mijn onderbewustzijn hebben opgenomen om ze me jaren later, op de dag van vandaag, te herinneren toen ik dit weekend met mijn zoontje in een oude Volvo-brandweerwagen stapte. Een wazig beeld van een jongen van een jaar of zeven, die door het grote stuurwiel van de Bedford naar buiten tuurde, flitste voor mijn ogen en even was ik zelf terug zeven jaar. De beelden bij de belevenissen van toen waren al lang verdrongen door de te snelle levenswijze van vandaag, maar door de geur van het oude leder en het verstorven rubber leek het alsof er een flash-back werd getriggered. Voor mijn ogen speelde er zich een kort, vergeeld stukje film af die 25 jaar geleden was opgenomen, van een jongentje die op reis was met zijn ouders bij een tante in Schotland. Hij ging er graag, ieder jaar opnieuw uitkijkend naar de volgende vakantie, en naar The Van.

En daar zat ik, ondertussen zelf vader van twee, met mijn zoontje op schoot, achter het stuur van de oude vrachtwagen, net dapper genoeg om een traan te onderdrukken en terug te keren naar het heden…

James Last.fm

Is het een ongeloofelijke vlaag van nostalgie, of eerder een vlinderig gevoel in mijn buik dat erg lijkt op verliefdheid, maar dat toch niet echt is? Of is het de drang van de mens om terug te keren naar de roots? Geen idee, maar ik weet wel dat ik op dit eigenste moment aan het luisteren ben naar James Last. Niet eens zó heel erg grijsgedraaid door mijn vader in de tijd, maar toch aanwezig in zijn collectie en vollop jaren ’70. Wat me er daarnet toe aanzette om die “plaat” op te leggen weet ik niet, maar in elk geval is ze tussen mijn mp3 collectie geraakt en ik zou ze voor geen geld van de wereld terug wissen. Het gekraak van de LP staat mee op de mp3′s wat doet vermoeden dat het een regelrechte LP2Mp3 rip is.

Een soort zeemzoete herinnering van een ver verleden schijnt me voor de geest te komen. Het prille begin van mijn leven. Wie weet heb ik nog niet vroeger op de tonen van “The Summer Knows” of “Close to You” meegewiegd in mijn moeders schoot. Het mondmuziekske en de gitaar-akkoorden van “Heart of Gold” doen een beetje aan de flower-power tijd denken, maar de rest van de nummers (met orkest en koor) ook en vooral aan de jaren ’70. De oranje schakkeringen op het tapijt, zelfs de zetels waren oranje, de bruine ruiten op het behangpapier, de bakkebaarden van onze vaders, rokken van onze moeders (tot op de grond, met ruitjes… schuin). De TV was soms nog eens uitgeschakeld ‘s avonds, maar nooit stond de pick-up of de reel to reel tape recorder lang stil, altijd een plaat of band erop: Passadena Roof Orchestra, Astrud Gilberto, Shirley Bassey, Frank Sinatra,… “Love must be the reason”, dat moet het zijn wat ik nu voel, de liefde voor muziek. Dat ze me dat nooit afpakken!!!

James Last (of elke andere artiest van die tijd) had nooit kunnen denken dat zijn muziek, nu 30 jaar later, nog in de log van mijn Last.fm account zou belanden. Internet en mp3 bestonden toen nog niet, maar de muziek die ze toen maakten, maken ze jammer genoeg nu niet meer. Nochtans, het gevoel dat ik nu heb, bij het beluisteren van deze plaat, is nog steeds hetzelfde. Pure rust en kalmte: het is een noodzaak om af en toe eens tot rust te komen, maar nu dikwijls een tekort… Take it easy people!

(‘k ga stoppen jonk, jullie gaan mij ne raren beginnen vinden)

‘Allo Coiffeur Daniel

Soms krijg ik een bui van schrijf-drift, misschien zit het wel in mijn bloed. In elk geval zijn blogs hiervoor ideaal, als een soort 21-eeuwse versie van het dagboek (maar dan zonder de geheimdoenerij). Voor de kenners, dit is een schoolvoorbeeld van “de Gordon Sweep“.

Meer dan 30 jaar (ongeveer mijn ganse leven) ga ik bij Coiffeur Daniel in de Rozemarijnstraat. Naar aanleiding van het vervallen van zijn 36-jarige handelsovereenkomst, dit cursiefje, over het salon en over de man die sneller ‘allo coifrr-d’niel roept aan de telefoon dan zijn schaduw.

Mensen die mij kennen, zullen weten dat mijn kapsel sinds het begin, net als zijn het salon zelf, amper veranderd is. De kappersstoelen zijn recht uit 1970. De semi-automatische wasbak met de witte plastieken douchekop, de kast met spiegels, het UV-kambakje, de kleine toonbank (met rode bol-asbak), zelfs het tafeltje met tijdschriften (met autoband-asbak), de wachtstoelen, alles herinnert aan de beginperiode van “onze coiffeur”. Toen mijn ouders – in 1972 moet het geweest zijn – op de Martelaarslaan kwamen wonen, ging mijn vader te voet op zoek naar een kapper en kwam hij bij deze beginnende zelfstandige terecht. Sinds mijn geboorte ben ik misschien hoogstens 5 keer bij een andere kapper geweest. Enkel uit noodzaak, want zelfs toen we verhuisden naar Mariakerke zijn mijn vader en ik altijd samen bij Daniel blijven gaan. “We zijn daar content”, luidt het argument. Vroeger moesten we nooit een afspraak maken, behalve op donderdag dacht ik. De prijzen zijn er altijd scherper dan scherp geweest, mijn pa moet zelfs altijd minder betalen: “Da’s logisch, hij heeft minder haar”, is de uitleg. In al die jaren hebben we één keer (de eerste keer) moeten zeggen hoe we ons haar wilden, voor de rest klinkt het “zoals gewoonte” en zelfs dat is de laatste jaren overbodig.

Stilaan is het kapersalon wat uit de tijd beginnen geraken. Afwisselend worden de kapperstoelen versleten, reeds alle twee hersteld met toile isolant, de semi-automatische wasbak wordt nu enkel nog gebruikt om de bloemenspuit te vullen waar ons haar mee wordt natgespoten (want scheren doet hij al jaren niet meer), het uurwerk (die een ambachtelijk kapperstafereel voorstelt) staat wel nog steeds ietsje voor (een vaste waarde), de posters aan de muur herinneren nog aan de laatste keer dat er herbehangen werd in de jaren ’80, wat versleten TL-lampen in de hoek worden nooit meer verzet, zelfs de poes (die er altijd rondliep) blijft nu weg. En toch blijf ik daar gaan. Stiekem is het misschien wel de nostalgie die me daar houdt, alsof ik terug stap in de tijd. Zonder dat ik er ooit bij heb stilgestaan, is dit salon een van de weinige plaatsen waar ik regelmatig kom die nog nooit is veranderd. Het is als een soort flashback naar de tijd van toen. Een plaats die niet is mee geëvolueerd met de moderne tijd, waar je onderbewustzijn nog eens rustig kan bezig zijn met herinneringen van vroeger. Je zou er haast filosofisch van worden. :-)

Nu blijkt dus dat, na 36 jaar, de handelsovereenkomst van onze kapper vervalt en dat de eigenares andere dingen van plan is met het pand. Hij moet dus verhuizen. Honderden straffe verhalen en gepeperde grappen hebben we gehoord in zijn salon in de Rozemarijnstraat. Zijn beroep is altijd al zijn passie geweest, zijn sigaretten nooit ver weg. Zelfs na zijn hartinfarct en terwijl hij nu overdag taxichauffeur is, is Daniel altijd zijn trouwe klanten blijven bedienen (zij het dan zonder zijn sigaretten). Ondertussen werkt hij enkel nog op afspraak, maar dat bewijst wel dat hij het nog graag doet. Nu luidt het: “Wie nog wil blijven komen, zal ik nog knippen, al is het misschien op een stoel in de keuken”.

Nog zes maand zit ik safe, daarna zal ik moeten kiezen: een andere kapper zoeken of… op naar de 40 jaar?

Moving the backup server, BPFH style

Another Bastard Programmer from Hell classic:

- “What?? 1.5 weeks power outage?” I cry
- “Yeah, they’re installing some new power plant, so our building is in the dark for 1.5 weeks. Nothing to worry about. Half of the personnel is on holiday anyway”, Dennis says calmly
- “WAIT A MINUTE; What about the (il)legal servers under my desk?”, with a frantic look on my face.
- “Euh… yeah well… they’ll be down”, Dennis, calm as ever
- “Yeah, and what about half of the people that ARE here, they’ll need the apps on those servers, right?”
- “Well if they’re not official servers, not much we can do about it, is there?”. This guy really pisses me off.

Time to take matters in our own hands. Click click, restoring some backups on the old backup box. Done.
Now back in the DC they’ll have power, so I call the DC-dude to see if he has some space left in their geek-room. Walking with the server through the gate, the security guy looks as if I’m taking a bomb into the building. With a smile I say: “It’s only temporary”.

Opening the door of the geek-room, an instant cold wind blows us in the face. What a noise. God how I love the smell of electronics in the afternoon. Now all we have to do is find a safe spot on the floor to put our precious merchandise. Hmm, there, nice and close to the loose network cable and power supply. I plug her in and fire her up, damn, no DHCP. I check the list for a free IP, reboot, and away she goes. I also ask the DC-dude to set up some DNS entry so that it becomes more easy to find our little baby; “Yeah sure, it’s a temporary solution” (NOT).

Back at the office.
Someone asks: “Jow Dennis, what about that power outage? Will we still have all those cool apps from the COpilot server?”
- “Yeah well, euh, I’m looking into that”, he says.
- “YES OF COURSE”, I shout from my desk “they’re on a server in the DC”
Dennis looks at me with a dumb look. “What do you mean, we don’t have a DC server”
- “Yes we do, it’s been there for ages”.

When official just isn’t cool enough…

Een verhaaltje van een tijdje geleden, maar daarom niet minder leuk. Voor de niet-IT-ers: jullie kunnen proberen te snappen waarom ITers dit leuk vinden, maar of jullie erachter komen is een andere zaak. Geeky stuff this…

Bite2 is coming, so it was time to secure some unofficial servers. The COPIL01 was too well known, so I decided to reinstall the long forgotten VBEGN050, the server from hell. Firing up this beauty, I recalled some of the old stories: sneaking it out of the DC in MBs car, crashing it trying to install Linux, keeping it out of every monitoring activity at the DC, recovering data when Win2000 refused service, those were the days…

Installing Win2000 advanced server (unofficial version) was a quicky, no complications, appart from having to flip the 3 SCSI drives, bays 0 to 2, and having to ignore some critical errors when starting disk 0. I guess it’s nothing, Checkdisk turned up with “no serious harm done”. Enabled ISS: FTP and HTTP (8080) and SMTP. Now all that was left was Apache, Mysql and Php. Ripped the latest versions from the net, installed, configuered, started services, done.

Having now 5 screens on my desk, I thought this was a bit over the edge, I didn’t want the Overhead Layer asking questions. So I sneaked into the old server room, now deserted, and polled the network cable with my portable. Just as I had suspected, it was dead. Damn! The Freak from the DC had disconnected it when upgading to the new 100mbit network. While taking a leak I had a go at the patch room door, no joy. It was locked.

The annoying noise under my desk was becoming unbearable. I had to get rid of this headache. Normally jelling a little bit at the PCD (Project Coordinator Dude) would have helped, but he was not around, so, that was not an option. I had to get some network into there, and fast. Inquiries to the Think Team about them having a network connection that
they could spare, turned up negative. All connection were taken for their lousy portables with their even lousier software. As if they need it. I could put it under the DOC (Departamental Overhead Chick) desk, but sooner or later she would find out too. So the only option was to call the Freak from the DC. Risking my ass to be trown in his basement, I called… no answer. Damn! What now?

It was that geek with the glasses from Production Systems that came up with a brilliant idea. Seems the DO dude from the Pussy Department had a spare key. Whilsteling, I walked up to his desk, opened up the top drawer and there it was, a key…. Silently I sneaked into the patch room. BOFH style. There was a cable hanging loose, that must be the one. Seeking the router reading “vlan 177.*”, snap. Hole 24 was free. In and out in 15 seconds, I silently closed the door behind me, locking it. I shut down the Beauty under my desk, silence at last. I have to makesure that prick from TechSupport is not watching when I sneak the Beauty in the server room. Wow, she sure weighs a lot. The new transport dudes at the coffee corner gave me a strange look. As if they had never seen a server. Well, they probably never had. Connecting the keyboard, mouse, network and power supply cables, and click… I fired her up. God, I love the sound of SCSI disk reving up one by one. Pure geek pleasure.

Now, lets see if the VNC service is working the way it should. I didn’t bother to put a monitor there. “Connecting to vbegn050.emea.msds.volvo.net…” YES! The “session password” prompt. It works! Now all we have to do is make sure nobody remembers the Beauty when Bite2 arrives. I’m sure it will still take ages befor they ban all non-Bite2 computers. And God knows where our Server from Hell will be by then…